
Jurisprudentie
AR6380
Datum uitspraak2004-09-22
Datum gepubliceerd2004-11-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/1382 WW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-11-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/1382 WW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herleving van het recht op WW-uitkering. Is op juiste wijze het recht op WW-uitkering vastgesteld?
Uitspraak
02/1382 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft haar echtgenoot J.C.Q.M. van Nierop op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Almelo op 15 januari 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 01/265 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 11 augustus 2004, waar voor appellante is verschenen J.C.Q.M. van Nierop, voornoemd, en waar gedaagde - met bericht - zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellante was werkzaam voor Schoevers Opleidingen te Hengelo, laatstelijk in een omvang van 23 uur per week. Na gedeeltelijke beëindiging van die arbeidsovereenkomst is appellante ingaande 4 oktober 1999 een WW-uitkering toegekend, gebaseerd op een verlies van 9 arbeidsuren per week. Zij is 14 uur per week blijven werken in dienst van Schoevers Opleidingen. Ingaande 10 december 1999 is zij in dienst getreden bij de Stichting PC Borsthuis voor 18 uur per week. In verband daarmee is de WW-uitkering per die datum geëindigd. Aan het dienstverband met de Stichting PC Borsthuis is per 1 juni 2000 een einde gekomen. Appellante heeft per die datum WW-uitkering aangevraagd.
Bij besluit van 23 juni 2000 heeft gedaagde appellante ervan in kennis gesteld dat het eerder vastgestelde recht in een omvang van 9 uur per week ingaande 5 juni 2000 herleeft.
Bij het op bezwaar gegeven besluit van 12 maart 2001 (het bestreden besluit) heeft gedaagde de ingangsdatum van de herleefde uitkering gesteld op 1 juni 2000 en is hij voor het overige, uitvoerig gemotiveerd, bij zijn standpunt gebleven.
In geding is de vraag aan de orde of gedaagde bij het bestreden besluit op juiste wijze het recht op WW-uitkering per 1 juni 2000 heeft vastgesteld.
Die vraag heeft de rechtbank gemotiveerd bevestigend beantwoord. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting merkt de Raad nog het volgende op.
Naar de Raad begrijpt meent appellante dat uit artikel 47 van de WW voortvloeit dat bij herleving van het recht op WW-uitkering het aantal uren dat zij gewerkt heeft bij de Stichting PC Borsthuis, voor zover die het eerder verloren aantal van 9 te boven gaan, moet worden meegerekend ter bepaling van het arbeidsurenverlies. Die opvatting acht de Raad onjuist.
Dat artikel bevat een berekeningswijze van de hoogte van het recht op uitkering bij gedeeltelijke werkloosheid. In dat geval bedraagt de uitkering 70% van het dagloon, vermenigvuldigd met het aantal uren werkloosheid per week, gedeeld door het aantal arbeidsuren voorafgaande aan het intreden van het verlies aan arbeidsuren waarnaar het recht is berekend. Met toepassing van dat artikel is de uitkering van appellante per 4 oktober 1999 berekend naar de breuk 9/23. Nu appellante bij de Stichting PC Borsthuis niet in tenminste 26 weken heeft gewerkt en er op 1 juni 2000, de datum waarop aan de dienstbetrekking bij voornoemde Stichting een einde kwam, derhalve geen nieuw recht op uitkering is ontstaan, herleeft op grond van artikel 21, eerste lid, van de WW per 1 juni 2000 het recht op uitkering zoals dat per 4 oktober 1999 was vastgesteld, derhalve met toepassing van de breuk 9/23 en met het voor die datum bepaalde (geïndiceerde) dagloon. Het aantal gewerkte uren bij de Stichting PC Borsthuis kan derhalve niet worden betrokken bij de herleving van dat oude recht.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten en dat de aangevallen uitspraak kan worden bevestigd.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter, mr. T. Hoogenboom en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 september 2004.
(get.) M.A. Hoogeveen
(get.) L. Karssenberg
MvK04104

